Totstandkoming Duitse eenheid Hoe?


Download 9.72 Mb.
Sana01.02.2020
Hajmi9.72 Mb.
  • Totstandkoming Duitse eenheid
  • Hoe?
  • Door Duitse staten en staatjes te laten samenwerken:
  • door economische samenwerking (Zoll-Verein)
  • in een oorlog tegen Oostenrijk
  • in een oorlog tegen Frankrijk (1870-1871).
  • Waar?
  • In Frankrijk, in de Spiegelzaal van het paleis van Versailles (1871).
  • Door de plechtigheid in het buitenland te houden werd niet één van de Duitse staten bevoordeeld en werd Wilhelm I keizer van alle Duitsers.
  • Veel macht voor de keizer en de Reichskanselier
  • De Rijksdag mocht de Rijkskanselier en zijn ministers niet ter verantwoording roepen of hen tot aftreden dwingen.
  • De keizer benoemde de Rijkskanselier
  • De Rijkskanselier benoemde op zijn beurt de ministers. En kon de Rijksdag ontbinden.
  • CONCLUSIE: Het keizerrijk Duitsland is geen constitutionele, democratische monarchie
  • Belangrijkste politieke stromingen in het Keizerrijk
  • De conservatieven en nationaal-liberalen
  • Vooral aanhang onder industriearbeiders
  • Vooral aanhang onder de katholieke bevolking
  • Vooral aanhang onder de hogere lagen van de bevolking
  • De socialisten
  • Das Zentrum (RK)
  • Gelaagdheid bevolking
  • Boeren, arbeiders in de landbouw en de industrie, lagere ambtenaren
  • Werknemers in de dienstensector,
  • lagere ambtenaren, kleine ondernemers
  • Adel (Junkers), officieren en
  • hoge ambtenaren
  • Grote fabrikanten en bankiers
  • Alliantiepolitiek van Bismarck
  • Voorbeeld 1
  • Congres in Berlijn (1878): Bismarck nodigt landen uit om over problemen op de Balkan te praten.
  • Voorbeeld 2
  • Conferentie van Berlijn (1884): Bismarck nodigt Europese landen en de VS uit om te praten over de koloniale verdeling van Afrika.
  • Bismarck wil machtsevenwicht bewaren door alliantiepolitiek
  • Let op: Bismarck probeerde vooral Engeland te vriend te houden.
  • Duitsland is omringd door sterke landen, die de macht van Duitsland vrezen
  • Duitsland is door de eenwording een sterke politieke macht geworden.
  • Weltpolitik
  • Wilhelm II
  • Begin 20ste eeuw
  • De Weltpolitik had geen succes:
  • - Engeland en Frankrijk bleken machtiger.
  • - Duitsland ging zich meer richten op Europa.
  • Na WO-I
  • Duitsland verliest WO-I en raakt vooraanstaande positie kwijt.
  • Eind 19e eeuw
  • Wilhelm II wil dat Duitsland een wereldmacht wordt, dus veel koloniën, grote nadruk op militarisme en een sterke vloot = Weltpolitik
  • Dus:
  • Wilhelm II gedraagt zich als autocraat (Bismarck ontslagen)
  • Industrie in teken van leger
  • Generaals bedenken aanvalsplannen
  • Vlootwet: Duitsland breidt oorlogsvloot enorm uit.
  • Eerste Wereldoorlog
  • 3. Bondgenootschappen
  • vergroten de kans op
  • oorlog
  • 4. Nationalisme leidt tot
  • spanningen op de Balkan.
  • 2. Koloniale wedloop leidt
  • tot spanningen tussen
  • Engeland, Frankrijk en
  • Duitsland.
  • Toenemend militarisme
  • en bewapeningswedloop
  • Oorzaken
  • Aanleiding
  • De moordaanslag op Frans-Ferdinand (1914)
  • Wie tegen wie?
  • Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en
  • het Osmaanse Rijk
  • Rusland, Frankrijk, Engeland en (later) Italië en de VS.
  • Von Schlieffenplan
  • Doel
  • Snelle verovering van Frankrijk om vervolgens Rusland aan te (kunnen) vallen.
  • Hoe?
  • door België naar Noord-Frankrijk
  • Het Von Schlieffenplan mislukte, omdat:
  • de Belgen onverwacht sterke tegenstand
  • boden;
  • de Russen sneller gemobiliseerd waren dan
  • verwacht;
  • de Fransen verplaatsten hun troepen sneller
  • dan verwacht;
  • de Engelsen verklaarden onmiddellijk
  • na de inval in België aan Duitsland de
  • oorlog.
  • Kenmerken Eerste Wereldoorlog
  • Het aantal doden en gewonden was vooral onder de aanvallende partij buitengewoon groot.
  • Aanvallen leverden doorgaans weinig of geen terreinwinst op.
  • Het soldatenleven in een loopgraaf was verschrikkelijk (water, modder en ongedierte)
  • De vijandelijke legers stonden in loopgraven tegenover elkaar met een niemandsland ertussen van 50 tot enkele honderden meters.
  • De leiders hielden lang vast aan een loopgravenoorlog
  • enorme verliezen zijn onvermijdelijk ;
  • door de vijand uit te putten, kun je winnen.
  • WESTFRONT
  • OOSTFRONT
  • De vijandelijke legers voerden een bewegingsoorlog.
  • THUISFRONT
  • Enorme vuurkracht door industrialisatie en techniek
  • Burgerbevolking nauw betrokken door:
  • vele aanvallen op steden en dorpen;
  • iedereen kende wel een soldaat;
  • industrie in dienst van oorlog;
  • voedseldistributie;
  • propaganda en nieuwsvoorziening (rol van de krant)
  • ‘oude’ wapens
  • ‘nieuwe’ wapens
  • Kanon
  • Houwitser
  • Machinegeweer
  • Pistool
  • Vlammenwerper
  • Torpedo
  • Tank
  • Vliegtuig
  • Gifgas
  • Verloop van de Eerste
  • Wereldoorlog
  • 1915
  • Slag om Ieper (gifgas)
  • Italie naar de geallieerden
  • 1916
  • Slag bij Verdun (100.000den slachtoffers)
  • Slag aan de Somme
  • 1918
  • Laatste offensief Duitsland
  • Okt.ober - Wilhelm II benoemt een nieuwe regering die vredesonderhandelingen moest beginnen – opstanden – regering treedt af – socialisten vormen nieuwe regering.
  • Keizer Wilhelm II vlucht naar Nederland.
  • De socialistische regering roept de republiek uit en tekent een wapenstilstand.
  • 1914
  • 1 augustus eerste oorlogsverklaring (andere volgden snel)
  • Slag bij de Marne – begin loopgravenoorlog
  • 1917
  • Duitsland begint een onbeperkte duikbotenoorlog
  • Revolutie in Rusland (maart / november) – vrede met Duitsland
  • Verenigde Staten verklaart de oorlog aan Duitsland
  • 1919
  • Verdrag van Versailles
  • Vrede van Versailles
  • Schuldvraag
  • Duitsland kreeg alle de schuld van de oorlog
  • Bepalingen t.a.v. Duitsland:
  • - Duitsland moest grondgebied afstaan:
  • • een klein gebied aan België,
  • • een groot gebied aan Polen,
  • • Elzas-Lotharingen aan Frankrijk,
  • • de Duitse koloniën werden verdeeld onder Geallieerden.
  • Duitsland moest ontwapenen: het mocht alleen kleine oorlogsschepen en een klein beroepsleger hebben.
  • Duitsland moest een enorme schadevergoeding betalen (herstelbetalingen; 132 miljard goudmark plus betalingen in natura)
  • Reacties
  • Frankrijk was blij met de zware straf;
  • In Duitsland sprak men van het ‘Dictaat van Versailles’
  • Engeland en de VS waren minder blij met de zware straf, maar waren blij met de oprichting van de Volkerenbond.
  • Republiek van Weimar
  • (1918-1933)
  • Periode 1929 – 1933: Weimar stort in
  • massawerkloosheid na crisis van 1929
  • groeiende populariteit communisten en nationaalsocialisten
  • zwakke Duitse regeringen
  • Periode 1918 – 1923: grote problemen
  • weinig politieke steun
  • drie staatsgrepen
  • economische crisis / hyperinflatie
  • Periode 1923 - 1929: voorspoed
  • - economische groei (door Dawes)
  • politieke rust en stabiliteit o.l.v. Von Hindenburg
  • culturele bloei (Brecht, Lang, jazz)
  • Werkloosheid Duitsland (1929 – 1939)
  • Democratie in de Republiek van Weimar
  • NIET GESTEUND DOOR:
  • de communisten (KPD): zij willen een revolutie
  • conservatieve nationalisten: zij willen de (autocratische) keizer terug
  • fascisten: zij willen een groot Duitsland
  • o.l.v een sterke man en intrekken V.v.V.
  • teleurgestelde, werkloze ex-soldaten: zij
  • gaven de Republiek van Weimar de
  • schuld (dolkstootlegende)
  • GESTEUND DOOR:
  • de socialistische SPD,;
  • de katholieke Centrumpartij;
  • de vooruitstrevend liberale DDP.
  • Maar:
  • de DDP verloor al snel veel zetels;
  • de socialisten en katholieken
  • wantrouwden elkaar
  • ‘Zij dragen de letters van de firma, maar wie draagt de geest?’
  • Een reactionaire staatsgreep door de NSDAP (Bierkellerputch, 1923)
  • Politieke onrust: staatsgrepen 1919-1923
  • Deze staatsgreep mislukt door:
  • Hard optreden van het leger
  • Inmenging van Freikorpsen
  • Moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht
  • De communistische staatsgreep / revolutie (Spartacusbond/ KPD ) (1919)
  • Deze staatsgreep mislukt door:
  • een algemene staking
  • leiders, waaronder Hitler opgepakt
  • Een radicaal-conservatieve staatsgreep door een legereenheid (Kapp-putsch) (1920)
  • Jaren ‘20 tijd van de economische crisis
  • 1923
  • Oorzaak: Wegens achterstand in de betalingen bezetten Franse en Belgische troepen in 1923 het Ruhrgebied.
  • Duitse arbeiders zijn boos en gaan in staking
  • Duitse regering betaalt lonen door en drukt op grote schaal bankbiljetten bij
  • Gevolg: hyperinflatie.
  • Dawesplan (1924):
  • aflossing van de herstelbetalingen wordt gekoppeld aan de economische draagkracht van Duitsland;
  • de VS lenen geld aan Duitsland om de Duitse economie weer op de been te helpen.
  • 1929
  • Oorzaken:
  • Overproductie in de VS
  • Te groot optimisme in New Capitalism
  • Banken en bedrijven bieden consumenten enorme leningen
  • Aanleiding: paniek op de beurs (beurskrach) in New York na berichten over stagnerende economie
  • Directe gevolgen voor de VS:
  • veel banken en bedrijven gaan failliet
  • enorme werkloosheid en armoede
  • Duitsland extra zwaar getroffen, want:
  • Dawesplan opgeheven
  • Herstelbetalingen gaan gewoon door
  • 1 Ruzie in coalitie SPD / Zentrum -
  • Kanselier Brüning regeert verder door
  • noodverordeningen.
  • 2 Groeiende aanhang voor communisten
  • en voor nationaal-socialisten
  • Kenmerken fascisme en nationaal-socialisme
  • 10 Vrouwen en mannen hebben aparte taken
  • 3 Het fascisme is sterk nationalistisch.
  • 2 Het belang van de eigen groep wordt vooropgesteld.
  • 4 Het fascisme wil een corporatieve staat.
  • 5 De mensen zijn niet gelijk, ‘hogeren’ moeten het volk leiden.
  • 6 Aan het hoofd staat één Leider. (Führerprinzip)
  • 7 De fascistische partij beheerst alle uitingen van cultuur in de staat.
  • 8 Gevoel is belangrijker dan verstand
  • 9 Het fascisme verheerlijkt geweld.
  • 11. De rassenleer: Alleen het Arische ras was in staat de mensheid vooruit te helpen. Verderfelijke rassen, zoals zigeuners (Roma) en de Joden, zijn parasitair.
  • Minderwaardige rassen, zoals de Slaven in Oost-Europa moeten dienstbaar zijn aan de hoogwaardige volken.
  • 12. De lebensraumgedachte
  • 1933: machtsovername
  • Januari 1933: Hitler wint verkiezingen en wordt rijkskanselier; De conservatieven hebben de meerderheid in de regering.
  • Februari 1933: Rijksdagbrand → duizenden communisten gevangen genomen en KPD uit de Rijksdag gezet.
  • Maart 1933: Machtigingswet aangenomen door:
  • steun van de Centrumpartij (in ruil voor garanties)
  • het ontbreken van de communisten in de Rijksdag.
  • Gevolg Machtigingswet: parlement uitgeschakeld; Duistland wordt een dictatuur o.l.v. de NSDAP
  • Rest van het jaar 1933: De nazi’s wisten al het andere verzet uit te schakelen:
  • vakbonden: vervangen door één nationaal-socialistische organisatie, het Deutsche Arbeits-front (DAF);
  • - politieke partijen: SPD verboden; andere partijen heffen zichzelf op;
  • - SturmAbteil (SA): in Nacht van de Lange Messen worden ‘interne’ vijanden gedood;
  • - president: na overlijden Von Hindenburg nam Hitler al zijn bevoegdheden over en werd ‘Führer’;
  • - leger: Hitler liet soldaten een persoonlijke eed van trouw afleggen;
  • - kerk: Hitler probeerde de Kerken tot bondgenoten te maken.
  • Kenmerken
  • nazi-Duitsland
  • Nazificatie van de jeugd:
  • opvoeding op school;
  • in jeugdbewegingen (verplicht):
  • - Hitlerjugend (HJ)
  • - Bund deutscher Mädel (BdM);
  • door werk: ‘Arbeidsdienstplicht’.
  • Nazi’s greep op kunst en publiciteit, door:
  • de ‘Rijkscultuurkamer’ , waarvan kunstenaars
  • lid moesten zijn;
  • het ‘ministerie voor Volksvoorlichting en
  • Propaganda’(Goebbels): verbood en
  • verbrandde boeken; censuur bij films, etc.
  • Het bedrijfsleven werd ingeschakeld ter voor-bereiding van oorlog:
  • kapitalisme blijft, maar vrijemarkt gedeeltelijk
  • uitgeschakeld: grote rol van de staat als
  • opdrachtgever; banken blijven bestaan;
  • Duitsland wordt een oorlogsindustrie (geen
  • planeconomie!)
  • - De landbouw in dienst van aanstaande oorlog.
  • Nazi’s greep op meisjes en vrouwen:
  • verheerlijking van de vrouw als moeder;
  • alle getrouwde vrouwen met een baan bij de overheid
  • kregen ontslag; in het bedrijfsleven werd het aantal
  • vrouwen sterk beperkt;
  • - Meisjes werden ‘opgevoed’ in de BdM.
  • Terreur van de nazi’s
  • De SS kreeg vier taken:
  • 1 - Bescherming van de leiders van de NSDAP;
  • 2 - Het beheer van de concentratiekampen;
  • 3 - Met een eigen troepenmacht in WO II
  • deelnemen aan de strijd aan het front;
  • 4 - Het vermoorden van mensen in
  • vernietigingskampen (gaskamers)
  • Doel:
  • Gevaarlijke tegenstanders uitschakelen;
  • Weifelaars schrik aanjagen .
  • Hoe?
  • Door moord, intimidatie en geweld (op straat; nachtelijk bezoek, enz.)
  • Door arrestatie van socialisten, communisten en geestelijken die zich tegen het beleid van de nazi’s hadden gekeerd. Later ook zigeuners, homoseksuelen en Joden.
  • Door de bouw van concentratiekampen (Dachau, Buchenwald,
  • Oranienburg / Sachsenhausen, Ravensbrück, Mauthausen )
  • Rassenpolitiek
  • Vóór WO II : De Duitse Joden tot emigratie te dwingen, door:
  • boycotten van Joodse winkels
  • Joden ontslaan
  • Joden hun burgerrechten ontnemen
  • openbare voorzieningen ‘voor Joden verboden’ verklaren.
  • Tijdens WO II: De Endlösung: het vermoorden van het Joodse volk (genocide), door:
  • Executie door speciale Einsatzgruppen van de SS;
  • Vergassen en verbranden in vernietigingskampen.
  • Sobibor en Treblinka (alleen vernietiging)
  • Auschwitz-Birkenau (vernietiging en werkkamp)
  • Mauthausen (alleen werkkamp)
  • Krijgsgevangenkampen.
  • Verzet
  • Verzet was moeilijk, want
  • Gestapo en SS hielden bevolking in de gaten;
  • de meeste Duitsers waren vóór Hitler;
  • sommige mensen in de bezette gebieden steunden Hitler (Vichy-Frankrijk, NSB, etc)
  • het Lutherse geloof gebood je te gehoorzamen;
  • nazi’s / SS namen enorm wraak.
  • Wat deed het verzet?
  • helpen met vluchten / onderduiken
  • verspreiden van anti-Hitlerpamfletten
  • sabotage (meer in bezette gebieden dan in Duitsland, zoals in Amsterdam – brand in het bevolkingsregister)
  • geweld – aanslagen op Hitler / aanslagen op andere nazi’s en NSB’ers .
  • Wie gingen in het verzet?
  • Studenten (Die weisse Rose)
  • Communisten / socialisten
  • Katholieken (nadat Hitler het Concordaat = Verdrag met de paus had geschonden)
  • Protestanten van de Belijdende Kerk
  • Duitsland 1933-1939
  • 1933:
  • - Duitsland trekt zich terug uit de Volkerenbond
  • 1938:
  • Duitsland annexeert Oostenrijk (der Anschluss);
  • Op de conferentie van Munchen ‘krijgt’ Duitsland Sudetenland in Tsjechië.
  • 1935:
  • Duitsland voert algemene dienstplicht in en breidt
  • leger en vloot uit.
  • 1936:
  • Duitsland neemt het Rijnland (grens met Frankrijk) in;
  • Duitsland wordt bondgenoot met fascistisch Italië;
  • Duitsland helpt de fascistische Franco in Spanje met bombardement.
  • 1939:
  • Duitsland pikt heel Tsjechië in;
  • Duitsland en Sovjet-Unie sluiten een niet-aanvalsverdrag (met een geheime bepaling dat Polen tussen beide landen zal worden verdeeld)
  • Militaire verloop Tweede Wereldoorlog
  • Hitler valt Polen binnen (1 september 1939).
  • Hitler sluit een niet-aanvalsverdrag met Stalin om een tweefrontenoorlog te voorkomen (1939).
  • Engeland en Frankrijk verklaren Duitsland de oorlog (3 september 1939)
  • Na Polen verovert Hitler in korte tijd grote delen van Oost- en West-Europa (1939-1940)
  • In de zomer 1941 valt Hitler toch de Sovjet-Unie aan; Japan (bondgenoot van Duitsland) valt de VS aan (Pearl Harbor) – Duitsland verklaart de VS de oorlog.
  • Bij de Slag om Stalingrad (SU, 1942-1943) lijdt Duitsland zijn grootste nederlaag –Oostfront rukt op.
  • Bij de Slag om El Alamein (Egypte) lijdt Duitsland eerste nederlaag – via Afrika en (later) Italië rukken de geallieerden op.
  • In juni 1944 besluit de VS / Engeland tot een invasie op de kust van Frankrijk (D-Day) – begin Westfront.
  • Grote delen van Europa worden bevrijd – de Russen zijn het eerst in Berlijn. Duitsland geeft zich tien dagen na de zelfmoord van Hitler over (9 mei 1945)
  • Na atoombommen op Nagasaki en Hiroshimo (augustus 1945) geeft Japan zich over = einde WO-II
  • Hitler is de hoofdschuldige, maar Frankrijk, Engeland en Sovjet-Unie zijn mede-verantwoordelijk, want:
  • Op de Conferentie van München gaven Frankrijk en Engeland toe aan Hitlers eisen;
  • Stalin maakte door zijn verdrag met Duitsland de weg vrij voor Hitler om Polen aan te vallen.
  • Schuldvraag
  • Tweede Wereldoorlog
  • - 3 Theorieën
  • 2. De schuld ligt eerder bij Frankrijk en
  • Engeland dan bij Hitler, want:
  • Het Verdrag van Versailles was te streng geweest.
  • Frankrijk en Engeland lieten Hitler zijn gang gaan.
  • Engeland en Frankrijk zagen Stalin als een groter gevaar dan Hitler.
  • 3. De oorzaak ligt bij Hitler en niet bij Frankrijk
  • en Engeland, want:
  • Hitler schond het Verdrag van Versailles;
  • Hitler pikte na Oostenrijk, ook Tsjechië in;
  • Hitler tekende een niet-aanvalsverdrag met Stalin, om sterker te staan tegen Engeland en Frankrijk.


Download 9.72 Mb.

Do'stlaringiz bilan baham:




Ma'lumotlar bazasi mualliflik huquqi bilan himoyalangan ©fayllar.org 2020
ma'muriyatiga murojaat qiling